Tilburg in beeld vroeger en nu!

 

 

 

 

De Stenen Camer ofwel het kasteel van Tilburg, in 1858 voor afbraak verkocht.

 

 

 

De geschiedenis van Tilburg in het kort!

 

 

De huidige stad Tilburg is gelegen op een hogere rug tussen de naar het noorden uiteen wijkende stroomdalen van de Rielse Leij en Donge in het westen en de Poppelse Leij en Voorste Stroom in het Oosten. Het gebied werd al omstreeks elfduizend jaar geleden bezocht door rondtrekkende nomadenstammen. Hun stenen werktuigen zijn met name ten noorden van de stad in het gebied van de Loonse Heide en de Drunense Duinen opgegraven. Op de randen van het plateau bij de beekdalen vestigden zich in de Bronstijd, ongeveer 1500 voor Christus, primitieve veetelers en landbouwers van verschillende culturen. Op de Rechte Heide tussen Goirle en Riel zijn nog de door hen opgeworpen grafheuvels te zien. Dicht bij het huidige gemeentearchief werden al in 1841 grafurnen uit die tijd opgegraven. Ook uit de periode omstreeks het begin van onze jaartelling zijn sporen van bewoning gevonden op de hellingen bij de waterlopen ten zuiden en ten oosten van de huidige stad. De heidevelden boven op het tableau lijken pas later ontgonnen en bewoond te zijn. Het is dan ook maar helemaal de vraag of de zogenaamde "Frankische Driehoeken" de bij de samenstellende delen van Tilburg veel voorkomende nederzettingsvormen, werkelijk al uit die periode stammen.

 

De vermelding van de naam "Tilliburgis" als aanduiding van de plaats waar in 709 een schenkingsakte van goederen te Alphen voor Willebrord wordt opgemaakt, heeft de historici veel stof tot discussie gegeven. Het veiligst lijkt de volgende verklaring. Het eerste deel kan een persoonsnaam zijn. Het tweede deel moet een meervoudsvorm zijn van het woord "burgus", dat in zijn ruimste betekenis kan slaan op rechtsgebied van vrij grote omvang, dat zeker niet versterkt hoeft te zijn en dat meer woonkernen van landelijke aard kon omvatten. Daarmee kunnen speculaties dat in Tilburg gezien de naamgeveing al in de achtste eeuw een of meer burchten moeten hebben gestaan, worden afgewezen. Bovendien is daarmee ook verklaard, dat tot in de 14e eeuw met de aanduiding Tilburg méér dan alleen de huidige gemeente of de vroegere pandheerlijkheid wordt bedoeld. "Tilburg" was dus aanvankelijk de aanduiding van een groter gebied in de Karolingische gouw Taxandria, waarin zich veel later op de overgang van de 12e naar de 13e eeuw twee domaniale kernen blijken te hebben ontwikkeld: West-Tilburg, het huidige Tilburg in nauwe relatie met zeker Enschot en waarschijnlijk ook al Goirle, en Oost-Tilburg, het huidige Oisterwijk, waar toe ook zeker Helvoirt, Udenhout en Berkel gerekend mogen worden. De in de 12e eeuw op of nabij het domein ("ten Rijt", ten zuiden van de huidige Oude markt) van het uit het kerngebied van het hertogdom Brabant afkomstige en aan de heren Van Boxtel verwante geslacht der Giselberten ontstane kerk, toegewijd aan Sint Dionysius (West-Tilburg), wordt in 1232 aan de Norbertijner abdij van Tongerlo geschonken. Deze "kapel" schijnt in kerkrechtelijk opzicht de oude parochiekerk van Enschot, toegewijd aan Sint Michiel, te hebben overvleugeld. De bij een nu verdwenen vroegmiddeleeuwse burcht ("Terborch", aan de Voorste Stroom ten oosten van de kern Oisterwijk) gestichte kerk van Sint Petrus (Oost-Tilburg) komt in 1231 aan de abdij van Sint Geertruij te Leuven. In beide gevallen zien we dat er een machtsverschuiving heeft plaats gevonden ten koste van de heren uit de familie der Giselberten van Tilburg en hun verwanten uit de families Van Gageldonk, Van Kruiningen, Van Pumbeke en Van Boxtel, en ten gunste van de Hertog. Hendrik I die enige decennia daarvóór zijn machtsuitbreiding naar het noorden bevestigde met de stichting van de 's-Hertogenbosch, blijkt in 1222 al de "burcht" van Oost-Tilburg in leen te hebben van de bisschop van Utrecht. De schenkingen aan de abdijen van de kerkrechten en de daarbij behorende tiendrechten gebeuren door hem of zijn instignatie, en in 1230 bevestigt hij de Vrijheid Oisterwijk en staat hij de inwoners toe het recht van 's-Hertogenbosch aan te nemen.

 

West-Tilburg was zo dus vanaf het eerst kwart van de 13e eeuw een hertogenlijk dorp geworden met hier en daar nog herinneringen aan de vroegere situatie: kleine leengoederen van de hoven van Gageldonk-Breda en Boxtel. Families die zich in de gunst van de hertogen wisten, verwierven zich daarnaast eveneens aanzienlijke leengoederen. Dat gold met name leden van de familie Back - Van Broekhoven, waarvan er één, Walter Back, abt van Tongerlo (1333-1366) zelfs in de hertogenlijke raad zetelde. Blijkens een in een bevestigingsoorkonde uit 1395 van Hertogin Johanna van Brabant opgenomen oudere akte, gaf haar vader Jan III in 1342 aan zijn lieden van Tilburg en het daarmee blijkbaar toen al bestuurlijk verenigde Goirle eigen rechtspraak en andere op die van een "Vrijheid" gelijkende rechten.

Ook in andere bronnen is in 1395 al sprake van een "Dincbanc de Tilborch et de Goerle".  In die periode blijken bovendien zeven gegoede lieden voor de totale dorpsgemeenschap in rechte op te treden. Het is nog niet duidelijk hoe een en ander zich verhoudt tot het gegeven dat Tilburg en Goirle te zamen met Drunen, Gansoijen en de Tol van Venloon (Loon op Zand) in 1387 als onderpand voor een lening van 4000 oude schilden door Hertogin Johanna in leen gegeven werd aan de toenmalige hoogschout van de Meierij, Paulus van Haestrecht. Feit is dat zelfs nog lang nadat diens gelijknamige kleinzoon in 1453 door de toenmalige hertog Philips de Goede het recht had verworven de zeven schepenen voortaan te benoemen, de inwoners van Tilburg naar de schepenen van Oisterwijk gingen om rechtshandelingen te laten vastleggen. De zeven schepenen, vijf voor Tilburg en twee voor Goirle, vonnisten volgens het recht van 's-Hertogenbosch, alwaar men ook "te hoofde" kon gaan. De eveneens door de heer aangestelde schout, vanaf het midden van de 17e eeuw drossaard, was uitvoerder van diens heerlijke rechten en daarmee samenhangende verplichtingen, met name ten aanzien van het handhaven der openbare rechtsorde. Tilburg en Goirle was een "hoge heerlijkheid", d.w.z. dat ook halsmisdrijven mochten worden gevonnist. De gezamenlijke inwoners van de oorspronkelijk elf herdgangen of gehuchten hadden ook sinds 1329 door koop van de hertog het recht van gebruik van de gemene gronden of "gemeint" verworven. Uit het beheer daarvan ontwikkelde zich ook een eigen dorpshuishouding, Goirle had daarbij een aparte status, waarvan de financiën tenminste sinds de helft van de 16e eeuw beheerd werden door de aanvankelijk drie, later twee burgemeesters. Uit het gezamenlijk toezicht van de eigengeërfden op dit beheer ontwikkelde zich op den duur een college van 22 afgevaardigden van de herdgangen, die bij alle belangrijke beslissingen inzake de dorpsfinanciën of de belastingen dienden te worden geraadpleegd. De "Huishoudinge ende Financie voor de Heerlijkheden Tilborgh ende Goirle" werd pas in 1732 door de Raad van State in een Reglement definitief geregeld. De "22 mannen" werden toen vervangen door een "corporele vergadering". Op dat moment werd het aantal herdgangen vastgesteld op twaalf: Oerle en Broekhoven, Korvel en Laar, Berkdijk, Reit, Hoeven, Hasselt, Stokhasselt, Oost-Heikant, West-Heikant, Veldhoven, Loven, en Kerk en Heuvel.

 

Na de dood van Paulus (II) van Haestrecht in 1473 werden zijn bezittingen verdeeld over zijn drie zoons. Tilburg en Goirle kwamen aan Jan van Haestrecht. Vier jaar later koopt deze van de gebroeders Gerit en Jan Back een reeds in 1450 vermelde "stenen camer" aan de Hasselt. Dit betreft de oudste vorm van het kasteel waarop voortaan de Heren van Tilburg als ze in het dorp verbleven, woonden, totdat het na verscheidene verwoestingen en her- of verbouwingen in 1858 voor afbraak werd verkocht. In 1977-1980 werden de fundamenten opgegraven en na bestudering weer met zand bedekt. Onlangs werden de contouren gereconstrueerd in een aldaar aangelegd plantsoen. In dezelfde periode, nog voor het einde van de 16e eeuw, moeten ook de twee nog bestaande oorspronkelijke schuttersgilden van de voetboog of Sint Joris (vóór 1483) en van de handboog of Sint Sebastiaan (vóór 1504) zijn ontstaan. Het derde gilde, van de kolveniers of Sint Dionysius, wordt pas in 1665 gesticht door de toenmalige vrouwe van Tilburg. Blijkens hun door de heren verleende "gildekaarten" hadden zij de bevoegdheid om gewapenderhand op te treden tegen eenieder die van buitenaf inbreuk maakte op de openbare orde en veiligheid. Samen met de andere aan de altaren in de kerk verbonden broederschappen gaven zij eeuwenlang uitdrukking aan de behoefte aan maatschappelijke solidariteit en openbare religieuze beleving. Hun schieten op de koningsvogel was vanouds verbonden met hun jaarlijkse herdenkingsfeest van de wijding der kerk, de nog steeds bestaande Tilburgse kermis.

De in 1483, na een vergroting, opnieuw gewijde kerk van Tilburg werd bediend door de Norbertijnen van de abdij van Tongerlo, die ook een deel van de tiendrechten bezat. De pastoors bewoonden de in 1384 verworven pastorie Moerenburg, gelegen op de grens met de parochie Enschot, die eveneens van daaruit bediend werd. Daarnaast bezat de abdij enige hoeven, waaronder de nog bestaande Togerlose hoeve waar de tienden werden opgeslagen in de tiendschuur of "Spijker". Kerkrechtelijk behoorde de parochie Tilburg van oorsprong tot het bisdom Luik en daarbinnen tot het aartsdiakonaat Kempenland en het dekenaat Hilvarenbeek. Na de kerkelijke herindeling der Nederlanden van 1559 ressorteerde Tilburg onder het nieuwe bisdom 's-Hertogenbosch. De val van die stad was er de oorzaak van dat de na een brand in 1595 herbouwde kerk in 1633 in bezit genomen werd door een predikant en een handvol hervormden. De katholieken moesten zich vanaf toen behelpen met grens- en schuurkerken. De kerk werd in 1822 gerestitueerd aan het zuidelijk deel van de in 1797 gesplitste parochie. De explosieve groei van de merendeels katholiek gebleven bevolking in de 19e en 20e eeuw zorgde voor een verdere opsplitsing van de twee toen ontstane parochie's. 't Heike en 't Goirke. Ten slotte waren er dat 31 die te zamen met de drie parochies van Goirle tegenwoordig een dekenaat vormen. De Hervormde Gemeente kreeg in 1824 een nieuwe kerk aan de Zomerstraat.  In de loop van de anderhalve eeuw vestigden zich uiteraard ook andere kerkgenootschappen op reformatorische grondslag in Tilburg. De reeds op het einde van de 18e eeuw ontstane kleine joodse gemeenschap werd zwaar geteisterd door de verschrikkingen in de Tweede Wereldoorlog.

 

Keren we terug naar de Heerlijkheid Tilburg en Goirle. Deze kwam in 1524 door vererving aan de familie Van Malsen en in 1621 op gelijke wijze aan de familie Schetz van Grobbendonck. Deze verkocht haar rechten en verplichtingen in 1710 aan Willem Prins van Hessen-Kassel, die ze na zijn opvolging als landgraaf in 1754 wederom verkocht aan Gijsbert rijksgraaf van Hogendorp. Na het vervallen van de heerlijke rechten in de Bataafse tijd werden de eigendommen en overgebleven rechten in 1858 bij veiling door zijn nakomelingen te gelde gemaakt. De hertogen van Brabant zijn nooit in staat geweest het pand in te lossen. Hun rechtsopvolgers, de aartshertogen Albertus en Isabella verkopen ten slotte in 1612 de heerlijkheid "erfelijk" aan de toenmalige heer Adriaan van Malsen. De uit de opstand voortvloeiende 80-jarige worsteling met Spanje bracht voor het platteland van Brabant veel verwoestingen en leed. Tilburg werd herhaaldelijk geplunderd en belast met oorlogsschattingen ondanks de duurbetaalde sauve-gardes van bevelhebbers van beide zijden. Ook na de val van Den Bosch in 1629, dat onder bevel stond van de gouveneur Anthony Schetz, heer van Tilburg, bleef een verwarde toestand bestaan, totdat bij de Vrede van Munster het gezag van de Staten-Generaal definitief in de Meijerij werd bevestigd. Vanaf dat moment was de Raad van State in 's-Gravenhage belast met het daadwerkelijk opperbestuur over het op de vijand veroverde gebied, de "Generaliteitslanden". Het hoogste beroepscollege in rechtszaken, de Raad van Brabant, zetelde vanaf toen ook in 's-Gravenhage, terwijl de rentmeester van de geestelijke goederen in 's-Hertogenbosch voortaan een groot deel van het oorspronkelijke kerkbezit administreerde. Het "Reglement op de Politique Reformatie van 's-Hertogenbosch" van 1660, alsmede de talloze plakkaten van de Staten-Generaal waren bepalend voor de als knechting ervaren inperking van de rechten van de inwoners van de Meierij en dus ook van Tilburg. Aan deze situatie kwam een einde door de gebeurtenissen van 1794-1795, toen na de inval van de Fransen de Bataafse Republiek werd uitgeroepen, waarin de Generaliteitslanden hun ondergeschikte status verloren en voortaan ook afgevaardigden mochten sturen naar de Staten-Generaal en kort daarna naar de Nationale Vergadering. Brabant werd een gewest waarvan de "Provisionele Representanten", onder voorzitterschap van de uit Leiden in 1790 naar Tilburg gekomen patriot Pieter Vreede, op 11 juni 1795 voor het eerst in dit dorp bijeenkwam. Voor de schepenbank kwam in dat zelfde jaar een gekozen municipaliteit in de plaats, met en eveneens gekozen drossaard. Het al wat langer zelfstandiger bestuurde dorp Goirle werd in 1803 een aparte gemeente.

 

De periode van het Koninkrijk Holland bracht voor Tilburg, op dat moment "het volkrijkste vlek" van de Meijerij, de status van stad, haar door Lodewijk Napoleon nazijn bezoek in 1809 verleend. De gemeente had in aanvang van de 19e eeuw bijna 10.000 inwoners. Dit aantal groeide tot 14.500 in 1850 en vervolgens tot ruim 40.000 in 1900. De 100.000 werd in 1941 gehaald. Deze snelle groei, vooral in de tweede helft van de 19e eeuw, was met name mogelijk door de zich dynamisch ontwikkelende wolindustrie, waarvan de basis al was gelegd met de traditionele huisnijverheid van de zandgronden. De Tilburgers bewerken het bijproduct van de schapenteelt, nodig voor de bemesting van de schrale akkers, en verhandelen het via tussenpersonen op de markten van Vlaanderen en Brabant, met name Antwerpen, en die van Holland met name Rotterdam en Leiden. De vervaardiging van en handel in wollen weefsels, zoals laken, moet in Tilburg al in de  Middeleeuwen van belang zijn geweest, en hier en daar al omstreeks 1500 een industrieel karakter hebben aangenomen. Weliswaar ging na 1629 de zuidelijke markt grotendeels verloren en werd er grote concurentie ondervonden van de veelal door Zuidnederlandse immigranten gedreven Hollandse lakenindustrie, waardoor Tilburg verviel tot leverancier van goedkope halffabrikaten voor met name Leidse ondernemers, toch bleef deze nijverheid vooral door in 1651 verleende vrijstelling van invoerrechten in Holland van zeer grote betekenis. Zo zelfs dat, ondanks allerlei conjuncturele of door de politieke omstandigheden veroorzaakte malaises, op het eind van de 18e eeuw autochtone of zich van elders in Tilburg vestigende ondernemers de stap naar de moderne industrie konden maken. De voor de inlandse bedrijvigheid zo gunstige protectionistische sfeer van de Franse tijd heeft deze ontwikkeling begunstigd, en we zien in het begin van de 19e eeuw gemechaniseerde fabrieken naar Engels model verschijnen.

Dit alles bevorderde in de loop van die eeuw de aaneensmelting van de vele door landwegen verbonden gehuchten met een nog voornamelijk agrarisch karakter tot een fabrieksstad met op enige belangrijke uitzonderingen na, onder andere de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen in 1868 en de lederindustrie, een sterke, nadruk op de wolindustrie en de haar ondersteunende bedrijven. Deze ontwikkeling heeft nadrukkelijk het stadsbeeld bepaald en is er de oorzaak van dat de gemeente Tilburg in de  jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw voor de opgaaf kwam te staan om uit de economische en sociale crisis van de wegvallende textielindustrie te geraken en aan de nu ruim 150.000 inwoners een vernieuwd woon- en werkmilieu te verschaffen. Het is gezien dit alles niet verwonderlijk dat in Tilburg voor katholieke streken al betrekkelijk snel vak- en standsorganisaties ontstonden, waarbij uiteraard voor de textielarbeiders een hoofdrol was weggelegd. Zo werd de Tilburgse kapalaan Lambert Poell, medestander van dr. Ariëns in Twente, in 1944 door de bisschop vrijgesteld om de katholieke textielarbeiders in een diocesane bond te organiseren. De samenwerking tussen de textielfabrikanten gaf richting aan het ontstaan van landelijke organisaties op dat terrein, die veelal hun zetel in Tilburg kregen, verenigd in het Bureau van mr. dr. B. van Spaendonck, dat ook een aantal pensioenfondsen ging beheren. Daar wordt bovendien sinds 1922 het sekretariaat gevoerd van de in 1842 gestichte Kamer van Koophandel en Fabrieken. In 1918 vestigde de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond haar hoofdkantoor in Tilburg. Dit alles heeft er mede toe geleid dat Tilburg zich ontwikkelde tot een centrum van dienstverlenende bedrijvigheid.

Tilburg is, ondanks dat reeds in 1575 door Philips II een privelege tot het houden van week- en jaarmarkten werd verleend, waardoor de wijk rond de kerk (Oude Markt) zich tot een soort dorpskern kon gaan ontwikkelen, nooit een echt centrum van handel of verkeer geworden. De ligging, waardoor de voornaamste land- en waterwegen tussen belangrijkere en oudere centra in Noord- en Zuid-Nederland Tilburg op ruime afstand passeerden, heeft zo'n ontwikkeling in de weg gestaan. De in de 19e eeuw ontstane aansluitingen op het spoorwegnet, 1863 Breda, 1865 Eindhoven, 1867 Turnhout, 1818 's-Hertogenbosch en het graven van het Wilhelminakanaal in 1923 hadden voornamelijk betekenis voor de aan- en afvoer van grondstoffen en produkten van de eigen industrie.

De huidige centrale ligging binnen het autowegennet van Noord-Brabant en het Beneluxgebied heeft er wel voor gezorgd dat nieuwe inpulsen voor industrie en dienstverlening mogelijk zijn gebleken. Daarnaast hebben de stichting door pastoor Johannes Zwijsen, de latere aartsbisschop, van een zuster- en een frater-congregatie met hun onderwijzersopleidingen en een gymnasium al in de 19e eeuw, alsmede de vestiging van een R.K. Handelshogeschool in 1923, nu de Katholieke Universiteit Brabant, en de R.K. Leergangen in 1912 de basis gevormd voor de ontwikkeling van Tilburg tot onderwijsstad.

 

Tilburg heeft in alle oorlogen, waarbij de Nederlanden betrokken waren, deel gehad aan de ellende die daarmee gepaard ging. Dat gold zeker voor de krachtmeting met Spanje in de 16e en 17e eeuw, maar ook voor met de Franse expansiedrift samenhangende militaire campagnes in de anderhalve eeuw daarna. In de dertiger jaren van de 19e eeuw was Tilburg hoofdkwartier van de zo populair geworden Prins van Oranje, de later Koning Willem II, die door zijn vader benoemd was tot opperbevelhebber van het leger tegen de Belgen. Diezelfde Belgen vonden er in de Eerste Wereldoorlog in grote getalen een onderkomen na hun vlucht uit hun door de Duitsers overlopen vaderland. De terreur van de Tweede Wereldoorlog eindige voor Tilburg met de bevrijding door de geallieerden op 27 oktober 1944. Het daaraan voorafgaande bombardement van de stad kostte vele slachtoffers, maar al in de vier jaren daarvoor hadden veel Tilburgers getoond dat ze bereid waren om voor de vrijheid tot het uiterste te gaan.

Met de dankbare herinnering daaraan moge dit overzicht over Tilburgs Historie besloten worden.

 

Overgenomen uit de publicatie "Het Gemeente Archief van Tilburg" uitgegeven in 1988 bij de opening van het nieuwe gemeentearchief van Tilburg,

 

 

 

hoofdpagina lsa

fotoalbum