De 1e wereldoorlog 30-04-1913 tot 11-11-1918

 

 

Na tal van conflicten binnen Europa breekt in 1914 de 1e wereldoorlog uit waarbinnen een groot aantal landen verspreid over de hele wereld betrokken raakten. In Europa waren dit de grootmachten Engeland, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Oostenrijk/Hongarije en de Balkanstaten. Onze zuiderburen de Belgen worden bij het conflict betrokken doordat Duitsland vrije doorgang naar het Noorden van Frankrijk eiste. Nederland verklaarde zich in het conflict neutraal maar kreeg wel te maken met de gevolgen van een ingestorte wereldhandel en de vele vluchtelingen die voornamelijk vanuit BelgiŽ naar ons land kwamen. Vanwege de voortdurende dreiging van een Duitse inval mobiliseerde Nederland het leger dat voornamelijk aan de Oostgrens en in Noord-Brabant gelegerd werd. In Tilburg en omgeving werden twintigduizend militairen ondergebracht  terwijl ook het hoofdkwartier van de vierde divisie in Tilburg werd gevestigd. Dit betekende een grote belasting voor de toen 56.000 inwoners van de stad. De officieren en onderofficieren waren bij de notabelen van de stad ingekwartierd en leidde min of meer een normaal leven. De gewone soldaten echter werden  in leegstaande fabrieksgebouwen ondergebracht die echter nauwelijks geschikt waren om zelfs maar als slaapverblijven dienst te doen. Omdat de eigenaren werden betaald per ingekwartierde soldaat werden er zoveel mogelijk militairen in een ruimte ondergebracht, zo sliep ongeveer een kwart van alle militairen in kwartieren waarin tweehonderd of meer soldaten waren gehuisvest. Een soldaat schreef aan zijn vriend: Zoo je misschien zult weten, zit ik weer in Tilburg. Wij liggen in een groote fabriek in het stroo precies als varkens.

Dit had niet alleen ongemak en irritatie tot gevolg, maar ook ziekten. De hygiŽnische situatie was bedroevend, waardoor allerlei besmettelijke ziekten, zoals difterie, uitbraken. Pas omstreeks 1918 kwam aan de golf epidemieŽn een einde, maar toen was de voedselvoorziening inmiddels zo verslechterd dat het ziekteverzuim onder de militairen bleef toenemen.

 

Naast de militairen kreeg de stad ook te maken met duizenden Belgische vluchtelingen onder wie militairen die vanwege de neutraliteit van Nederland geÔnterneerd moesten worden. Eind 1914 waren de meeste vluchtelingen weliswaar teruggekeerd, maar gedurende de hele oorlogsperiode bleven toch enkele honderden Belgen in Tilburg aanwezig.  Direct gevolg van de wanordelijke toestand in augustus 1914 was het verbieden van de kermis geweest. Ook in de andere mobilisatiejaren zou dit belangrijkste Tilburgs volksfeest geen doorgang vinden wat ondergronds tot veel gemor en irritatie heeft geleid onder de Tilburgse bevolking.

 

De wantoestanden in Tilburg waren niet zonder gevolg. De ontevredenheid van de militairen uitte zich al vanaf het begin in relletjes en opstootjes, die een steeds gewelddadiger karakter kregen. Vooral het zevende Regiment Infanterie, dat voor een groot deel uit Amsterdammers bestond, bouwde in 1914-1915 een grote reputatie op. Deze relletjes waren echter nauwelijks een bedreiging voor de openbare orde. De betogingen op de Heuvel, voor het hoofdkwartier van de divisie, werden echter door de militaire en burgerlijke autoriteiten zeer ernstig opgevat. Op 1 en 2 augustus 1915 werden dergelijke demonstraties door politie en marechaussee met de blanke sabel uiteengeslagen, waarna troepen militairen en burgers op verschillende plaatsen in de stad onlusten veroorzaakten. Hoewel de rellen door de legerleiding werden onderdrukt, misten ze hun uitwerking niet. Op 11 augustus verscheen in de socialistische krant Het Volk een artikel over de situatie in Tilburg, waarna een militaire onderzoekscommissie werd ingesteld en in de Tweede Kamer vragen werden gesteld over het optreden van leger en politie onder anderen door de Tilburgse afgevaardigde A.H.A. Arts. Geconstateerd werd dat het harde politie en marechaussee optreden de escalatie van de rellen had uitgelokt, toch gaf de legerleiding de gemaakte fouten niet officieel toe. De halvering van het aantal in Tilburg ingekwartierde troepen, die in september 1915 plaatsvond, kan echter als een verkapte schuldbekentenis worden gezien.

 

Weinig soldaten en gewone Tilburgers zullen met plezier aan de Tilburgse mobilisatietijd hebben teruggedacht. Hoe anders was dat voor de notabelen en voor de officieren. Uit lezing van hun verslagen kunnen we opmaken dat voor hen het leven in Tilburg zonder zorgen was.

 

In 1919 komt er een einde aan de 1e wereldoorlog als te Versailles op 28 juni 1919 tussen Duitsland en de geallieerden een vredesverdrag wordt ondertekend, het zogenaamde Verdrag van Versailles.

 

 

hoofdpagina lsa

fotoalbum

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De strijd om het bestaan

 

Armen, verdraagt zonder morren de ontberingen van uwen stand; rijken der aarde, koopt uwe zonden af door aalmoezen. Dit schreef de voormalige Tilburgse pastoor Joannes Zwijsen in 1853 toen hij het ambt van aartsbisschop aanvaardde. Wie arm was, moest daar in berusten, zo was de gedachte van de kerk en de rijken in het midden van de negentiende eeuw. Iemand die vroeger door gebrek aan werk of anderszins buiten de boot viel, kreeg te maken met de armenzorg. Maar ook wie met hard werken de touwtjes niet aan elkaar kon knopen was op de bedeling aangewezen. Cao's  en werkloosheidsuitkeringen bestonden al voor de Tweede Wereldoorlog, maar ze vormden geen garantie voor een behoorlijk bestaan. Bijstand of minimumloon waren nog omstreeks 1950 onbekend. Een acceptabel loon voor een lange werkdag werd pas in de twintigste eeuw na veel strijd verkregen. Meer welvaart voor het grootste deel van de arbeidende bevolking is iets van de laatste decennia.

 

Lang werd armoede als een gegeven beschouwd. Omstreeks 1900 schreef Edmond Meelis in een boekje over het armenbestuur in Tilburg in de negentiende eeuw: "God, in zijn alwijze maar voor ons schepselen, ondoorgrondelijke raadsbesluiten heeft gewild, dat er verschil van standen in de maatschappij zou zijn; n.l. dat er zouden zijn rijken en armen. De rijken zowel als de armen zouden in dien rijkdom of armoede een middel vinden tot verheerlijking Gods en tot hunne eigen zaligmaking." Meelis gaf hiermee de zienswijze weer die tot in de twintigste eeuw ook in Tilburg vrijwel algemeen aanvaard werd. Wie arm was, moest natuurlijk wel geholpen worden. In notities van de schepenen van Tilburg of later het gemeentebestuur is met grote regelmaat terug te vinden dat het "floreren van de textielnijverheid" het beste middel was om armoede te voorkomen.

 

Het blikveld van de gegoede burgerij reikte echter lange tijd niet verder dan het beoefenen van liefdadigheid en dan nog alleen voor hen die onderdanig en slaafs waren en geregeld naar de kerk gingen.

 

Rond 1800 ontstonden er nieuwe denkbeelden over de armoede. De arme zou uit zijn armzalig bestaan verlost kunnen worden door wat "zedelijke verheffing" genoemd werd. In Tilburg zag vooral de geestelijkheid bij de zedelijke verheffing van de arme of arbeider een taak, waarbij de pastoor van het Heike, Joannes Zwijsen, als initiatiefnemer optrad. Zwijsen gaf de volksverheffing gestalte door beter onderwijs en vooral een betere geloofsbelevenis, dat leidde volgens hem tot een beter bestaan. Mogelijk een lofwaardig streven, dat echter geen directe verbetering van de sociaal-economische positie bood. Van "loon naar werk" of behoorlijke arbeidsvoorwaarden, die de basis zijn van een behoorlijk bestaan, was nog geen sprake. Een groot deel van de bevolking leefde op het randje van het minimum. Bij de minste of geringste tegenslag lag de armoede op de loer. Enkele misoogsten achter elkaar betekenden dat de prijzen van het volksvoedsel, aardappelen en roggebrood vermeervoudigde.

 

Pieter van Dooren verklaarde in 1837:

De meeste (arbeiders) hebben een reepje land of tuin achter hunne woning, tot het telen van warmoezerijen, en huren daarbij een zekere uitgestrektheid gronds om aardappelen voor het gezin op te winnen; zij houden daarbij veelal eene geit en mesten een varken, welke hun melk, spek en mestspecie voor hun aardappelland verschaffen. Deze wijze van genering brengt veel tot eene oeconomische huishouding onder de klasse der werklieden toe, welker bestrijding van kosten, ten voordeele van den Fabrijkstaat, eene zeer matige loonbepaling vordert. De Tilburgse arbeiders en thuiswevers behoorden tot de slechts betaalde in het land. Beter betalen hoefde ook niet, zo luidt het algemeen geschetste beeld, want ze konden met het werken op hun eigen lapje grond wat bijverdienen.

 

Rechten waren er aan het begin van de twintigste eeuw nauwelijks voor de arbeiders; plichten des te meer. Ontslag kon naar willekeur worden gegeven, evenals verkorting of verlenging van de arbeidstijd. In 1907 gingen de vakbonden een eerste confrontatie aan naar aanleiding van een loonsvermindering bij de fabriek op de Heuvel, langs de spoorlijn, van de  firma Weduwe J.B. de Beer. In eerste instantie verliep dat succesvol en kwam een loonregeling tot stand. De fabrikanten probeerden wel de vakbond buiten spel te zetten. Onderling spraken de fabrikanten af zo min mogelijk leden van de vakbonden aan te nemen. Zeker in slappe tijd konden de textielfabrikanten het bij een conflict wel een tijdje uitzingen. Hun fabrikantenbond had heel wat meer troeven in handen dan de arbeiders. Slechts een enkele keer viel een van de fabrikanten uit de toon door zich niet te houden aan de onderlinge afspraken. BeKa in het begin van de eeuw het grootste textielbedrijf in Tilburg, was geen lid van de bond. Carl Stršter, maar vooral Jan van Besouw uit Goirle hielden er wat andere opvattingen op na. Voor de rest was er naar buiten toe een hecht blok. Er was ook een onderlinge overeenkomst om elkaars personeel niet zonder meer aan te nemen. Aanvankelijk ging dat om vakbondsleden of stakers. Het "grauw" zou voor een grijpstuiver meer in het loonzakje toch maar van de ene fabriek naar de andere fladderen. De onderlinge afspraak, door de Tilburgse arbeiders "het zwart contract" of de "zwarte lijst" genoemd, hield in dat iemand pas in dienst genomen werd als hij of zij ten minste vier weken werkloos was geweest. De overeenkomst werd tot na de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd, al werd de evengoed geschonden wanneer men erg krap in het personeel zat.

 

De Beurskrach van Wallstreet!

 

Voornamelijk als gevolg van speculatie stortte in 1929 de effectenbeurs van Wallstreet in wat in de jaren daarna grote gevolgen zou hebben voor de wereldeconomie. Hoewel de ene na de andere regeling bedacht werd om het tij te keren ontkwam ook Nederland niet aan de crisis. Het aantal werklozen in Tilburg liep op van 906 in 1930 tot 3583 in 1932. Daarna bleef het cijfer tot 1935 schommelen tussen ongeveer 3000 en 3500. De werklozenkassen van de tientallen vakbonden die inmiddels bestonden, waren absoluut niet in staat de uitkeringen op te brengen. De werkverschaffing hield enkele honderden arbeiders aan het werk. In Tilburg werd in het kader van de werkverschaffing onder meer gewerkt aan vloeivelden in Tilburg-Noord en aan ontginningsprojecten aan de Dongenseweg. Werkverschaffing was geen uitvinding die met de crisis jaren verband hield. Al eerder werden projecten opgezet om werklozen bezig te houden en aan een gering inkomen te helpen. Zo werd in het begin van de jaren twintig het Wandelbos aangelegd. Werk vinden was niet eenvoudig in de crisisjaren. Met allerlei prenten, gedichtjes, liedjes en foto's werd langs de straten geleurd om wat inkomsten te verwerven. Hartverscheurend waren de mededelingen van de veelal illegale straatzangers en verkopers dat ze ten einde raad waren en als laatste redmiddel door het zingen of verkopen van liederen het onderhoud voor een groot gezin wilden bekostigen. "Aangeboden door een werklooze huisvader, die op deze manier tracht zijn brood te verdienen voor vrouw en vijf kinderen. Gedragen kledingstukken en schoenen worden voor een kleine vergoeding aangenomen, waarbij bij voorbaat mijn hartelijken dank".

 

Wie zonder werk zat moest tweemaal daags gaan stempelen, bijvoorbeeld bij het speciale stempellokaal op de hoek van de Paleisstraat en de Prinses Sophiastraat, om in aanmerking te komen voor steun. Wie wel werk had, kreeg te maken met voortdurende loonsverlagingen, aanvankelijk de gedachte remedie om uit de crisis te komen. De werkloze arbeiders waren daar niet blij mee; hun uitkering was immers gekoppeld aan de lonen. In een politieverslag uit 1935 is te lezen dat 'er deining was onder de Tilburgse arbeiders. Het sterkst onder de werkloze textielarbeiders. Dit zijn in het algemeen niet de beste... Reeds meermalen had men meegemaakt, dat juist deze werkloozen op vergaderingen het hoogste woord voerden en de aan den arbeid zijnde leden niet eens in de  vergaderzalen konden komen. Het was in deze vergaderingen dat de kiem werd gelegd voor de staking die in de zomer van 1935 zou uitbreken en Tilburg een maand lang in haar greep hield. De Tilburgse textielstaking van 1935 duurde van maandag 26 augustus tot donderdag 26 september. Uiteindelijk bijna vijfduizend textielarbeiders verzetten zich tegen loonsverlagingen die hun vakbonden al waren overeengekomen met de fabrikantenbond. Materieel leverde de Tilburgse textielstaking niet meer op dan het tijdelijk tegenhouden van de loonsverlaging. Jan Coolen, met Sjef Spijkers een van de stakingsleiders, kenschetste de staking later als een verzetsdaad tegen de bezuinigingspolitiek van het kabinet-Colijn. De staking was het grootste sociale conflict dat de stad gekend heeft. De Tilburgse textielarbeiders wilden niet meer terug naar de tijd waarin armoede troef was, waarin ondanks lange werkdagen te weinig verdiend werd om een talrijk gezin fatsoenlijk te onderhouden.

 

In deze sombere jaren togen mijn ouders, pas getrouwd, naar het West-Brabantse plattelandsdorp Lepelstraat om er met een eigen zaak de kost te verdienen. Een zeer gedurfde onderneming of was het misschien ook een wanhoopsdaad om de realiteit van die jaren te ontvluchten.

 

 

 

hoofdpagina lsa

fotoalbum